Theater moet betoveren.
Jeugdtheater moet magisch zijn.

Kinderen weten alles van toveren en magie. Terwijl ze welwillend de opvoedkundige lessen van ouders, leerkrachten én theatermakers lijken op te pikken, is hun wereld nog altijd doortrokken van toverspreuken en magische rituelen.

Wij opvoeders kunnen opvoeden wat we willen maar tot pakweg het tiende levensjaar bevindt uw kind zich op een andere planeet. Een toverbal. Een magische maan. Aan die opvoeding werken ze mee omdat ze van ons houden. En ons ook een beetje zielig vinden. Omdat we hun toverwereld zo overduidelijk achter ons gelaten hebben.

Het is aan jeugdtheatermakers om die wereld op te roepen inclusief het magisch maanlicht. We zullen wel moeten. Anders kijkt er geen kind. Geen meedogenlozer publiek dan een zaal met kinderen. Waar de magie verdwijnt, begint een kind met zijn buren te babbelen. En dan kom je nog goed weg.

Ik ben een poppenspeler. Mijn poppen zijn vaak manshoog en voor kinderen levensecht. De enige manier om dat voor elkaar te krijgen is door te geloven dat je poppen je werkelijk iets te vertellen hebben. Je moet ze zelf ook geloven. Het grootste compliment dat ik daarom ooit van een kind gekregen heb na het zien van één van mijn voorstellingen, was de vraag: ben jij echt? Wij waren even samen een uur op die andere planeet geweest. Dat is jeugdtheater. Spelen dat je tovert. En dan toveren tot het echt is.

Ila van der Pouw